spacer.png, 0 kB
spacer.png, 0 kB
Mont Aigoual '95 deel 2

Mont Aigoual '95

deel 2

Vrijdag 27-08-1995

De dag van de grote rit is aangebroken, de avond ervoor de rit nog eens op de kaart verkend. Hij bleek toch te lang te zijn. Met de resultaten van de opwarmertjes in het achterhoofd werd er een tijdsschema opgesteld. Als ik de rit volgens Krabbé zou doen moest ik al om zeven uur vertrekken en zou pas om zeven uur ’s avonds weer op de camping terugkeren. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de hellingen die er genomen zouden moeten worden. Met toch wel wat pijn in het hart werd besloten de lus over de Causse Méjean te laten schieten en me puur te concentreren op de beklimming van de Mont Aigoual. Dat zou al zwaar genoeg worden. De afstand zou nu op ongeveer 120 kilometer komen te liggen. Om kwart over acht vertrek ik van de camping, rugzak gevuld met fototoestel, croissants, energie repen, chocoladebroodjes en natuurlijk bananen. Op weg naar Meyrueis, 30 kilometer verder. Dit stuk gaat voornamelijk langs de Tarn en de gorges van de Jonte. Vals plat omhoog van 300 naar 706 meter. Soms is het valse plat wel erg vals en zie je plotseling de rivier een dikke 50 meter onder je liggen. Af en toe wordt er even gedaald, slecht voor het ritme. Rustig worden de eerste dertig kilometer verorberd. Goed opletten dat de hartslag niet boven de 150 komt, dat moet ik later dan bekopen. Om kwart voor tien passeer ik Meyrueis en sta ik aan de voet van de eerste klim. Daar besluit ik een kwartiertje rust te nemen en mijn rugzak wat lichter te maken. Ik zit op de route van de Ronde van de Mont Aigoual.

Krabbé : kilometer 68, daar gaan we weer. De cols zijn hier van lucht en liggen op hun kop in het landschap. We komen bij elkaar. Zes kilometer klimmen naar het volgende hoogland, de Causse Noir. Ik schakel, leg mijn handen op het stuur. Pijn, mijn benen moeten nog willen. Klimmen in het hoogland is extra lastig, als je boven bent heb je geen afdaling om uit te rusten en als je hebt stilgezeten in een afdaling moet je zonder overgang alles geven.

Voor mij kilometer 30. Ook ik leg mijn handen op het stuur en schakel, niet op de 19, als Krabbé, maar op de 24, al snel gevolgd door de 26 en even later door de 28. voor mij ook zes kilometer klim, ik rijd van het ene hectometerpaaltje naar het volgende. Na negen van die paaltjes volgt er een kilometerpaal met daarop de hoogte. Alweer vierentachtig meter hoger, een kilometer van 8.4%. Zo passeer ik kilometerpaal na kilometerpaal en wordt het klimmen uitkijken naar het volgende hoogtecijfer. Pijn heb ik niet echt, ik doe het op het gemak, er komt nog genoeg. Trots op mezelf dat ik niet halverwege ben afgestapt om te rusten, stop ik bovenaan de klim om weer wat te eten en te drinken. Bovenop de causse glooit de weg naar Lanuejols. Drie kippenhokken en een boerenschuur. In dat gehucht gebeurt iets vervelends, ik sla een verkeerde weg in. (dit bleek pas later toen ik ‘de renner’ er nog eens op na las) Hoe me dit kon gebeuren blijft een raadsel, ik had het boek toch al een keer of drie in één ruk uitgelezen. De straf kwam wel onmiddellijk in de vorm van een korte maar ò zo gemene klim. Hier moet ik toch even van de fiets om bij te komen, niet om te gaan lopen. Gelukkig kom ik zes kilometer later weer op de route. Weer klimmen ook, 24000 meter lang, 567 meter omhoog. De eerste tien kilometer zijn makkelijk, eigenlijk vals plat. Met gemak rij ik op de 22 omhoog, soms daal ik even met de ketting op de 52, staat goed.

Krabbé : Kilometer 106-108. Klimmen. Handen op het stuur, mijn polsen voor me. Ze zijn nat. De Mont Aigoual is de hoogste berg van de Cevennen, maar hoogte zegt niet alles: de Cauberg is steiler dan de Ventoux. De Aigoual is gelijkmatig. Hij bestaat uit drie gedeelten. Eerst drie kilometer naar de Col de la Sereyrede, dan drie kilometer naar het skistation van Col de la Pra Peirot en dan twee naar de Aigoual zelf.

Het gaat lekker, ik heb mijn kadans gevonden, de computer staat bewust niet op de snelheidsfunctie, daarmee zou ik mezelf alleen maar gek maken. Alleen de verreden tijd en de afstand staan in het display. De hartslagmeter slaat regelmatig alarm omdat de hartslag boven de 160 stijgt. ‘Komt door de hoogte, geeft niks’ maak ik mezelf wijs. Het maakt ook niet veel meer uit, nog een paar kilometer klimmen, de rest is dalen. Kapot gaan gebeurt niet meer. In de schaduw van de bomen ben ik aan het werk, de temperatuur is aangenaam, ik transpireer wel, maar mijn helm is gelukkig geen potkachel aan het worden. Met iedere pedaalslag kom ik dichter bij de Aigoual, langzaam maar zeker wordt hij bedwongen. Stoppen doe ik niet meer, het gaat te lekker. Al rijdend frommel ik een banaan uit de rugzak en verorber hem. De laatste, die anderhalve ons hoef ik niet meer mee te sjouwen. Plotseling komt er ruimte in het bos, een splitsing van wegen. De col de la Sereyrede ligt onder mijn wielen. Een reden om af te stappen en even een foto te maken van mijn fiets, geplaatst tegen het bord waarop de col en zijn hoogte, 1300 meter, worden vermeld. Nog vijf kilometer naar het observatorium op de top van de Aigoual nog 267 meter omhoog. Met de 42/26 gestoken en een traptempo van rond de 60 slagen per minuut kruip ik omhoog. Ik voel mijn pedalen nog steeds niet, nog nooit heb ik zo lekker geklommen. Op twee kilometer voor de top gaat het zelfs zo lekker dat ik op kan schakelen naar de 22, niet voor lang. Als ik rechtsaf sla, richting observatorium, stijgt de weg plotseling wat feller, terug naar de 26. Staand op de pedalen en trekkend aan het stuur ram ik de laatste vijfhonderd meter nog even alles uit de kast. Hier bovenop de top waait er een ijskoude wind, blij dat ik een jasje heb meegenomen. De fiets wordt geparkeerd bij het bord ‘Mont Aigoual, altitude 1567m.’, er wordt natuurlijk een foto gemaakt. Dan lopend naar het souvenirwinkeltje waar ik een T-shirt aanschaf als beloning. Het is me meegevallen. Eigenlijk vind ik het jammer dat ik de tocht heb ingekort. Eigen schuld, dikke kuiten. Dan snel weer verder, er wacht nog een heerlijke afdaling.

Krabbé : Kilometer 114-118. Iemand staat huiverend naast zijn auto en roept blij : ‘En nu alleen nog maar dalen!’ Hij gebaart naar een grijze massa beneden ons. Nu daal ik, dus moet ik ophouden met fietsen. Dus moet ik beginnen met bevriezen. De kou slaat allerlei fasen over, hij zit meteen in mijn botten. Mijn handen! Mijn stuur is een operatietafel waarop zonder verdoving gesneden wordt. Ik draai met mijn benen, vooruit, achteruit, maar er is niets om kracht aan kwijt te raken. De bescherming van de arbeid om mijn lichaam heen is weg. Mijn zweet bevriest. De regen bevriest op mijn voorhoofd.

Voor mij geen kou vandaag, alleen wind. De wind die ik in Nederland ook zo vaak verwens. Als ik van de top wegrij proberen verschillende windvlagen mijn fiets onder me weg te blazen. Het is alsof ik op topsnelheid door een bocht raas, zo scheef lig ik. Het zal wel minder worden naarmate ik daal, en het dalen gaat heerlijk. Zonder moeite kilometers lang rond de vijftig in het uur. Nu mag mijn computer de snelheid wel weergeven, het maakt me niet meer gek, het geeft me een kick te weten hoe hard ik ga. Als het dalen wat minder hard gaat en de weg zelfs weer langzaam omhoog begint te lopen stop ik weer even. Genietend in het zonnetje sla ik het laatste chocoladebroodje naar binnen. Nog een kartonnetje energiedrank en een teug dorstlesser en ik ga weer verder. Klimmend, maar slechts een paar honderd meter, dan zet het dalen weer in. Een windvlaag zorgt er voor dat mijn snelheid van 60km/u terugloopt naar nauwelijks 45. moet ik nog bijtrappen ook!! Nog 50 kilometer. In dit tempo nog hooguit anderhalf uur. Zonder het te beseffen passeer ik de Col de Perjuret, waar in de tour van 1960 Roger Riviere, tweede in het klassement, tijdens de afdaling een bocht mist en vijftien meter lager zijn rug breekt. Hoewel het een andere afdaling van de col is dan degene die ik nu rij, zou het mij ook zomaar kunnen gebeuren. Dat besef je als je later in gedachten de afdaling nog eens narijdt. Op het moment van dalen zelf heb je daar geen tijd voor. Je weet dat er maar één steentje verkeerd hoeft te liggen, dat een hond of kat plotseling de weg kan oversteken. Je staat er niet bij stil. Alle aandacht is bij de weg, hoe loopt die bocht? Kan ik die haarspeldbocht aan de binnenkant nemen? Moet ik bijremmen?. Tijdens de afdaling haal ik twee auto’s in, een fiets is veel wendbaarder. Gelukkig hebben beide bestuurders dat door en geven ze me alle ruimte om te passeren,

Krabbé: Kilometer 126-130. Haarspeldbochten en ravijnen, het gebruikelijke recept. Grijs van keien, groen van weilanden. Na iedere bocht sprint ik, tot ik weer moet remmen. Ik heb geen moeite met die bochten, ik ben nu werkelijk te moe om me bezig te houden met overwegingen van leven en dood. Het gaat om iets heel anders; dat ik deze wedstrijd win.

Voor mij valt er niets meer te winnen. Ik heb al gewonnen door daar bovenop de top te staan. Mijn prijs is de afdaling. Moe ben ik zo langzamerhand wel. Ook dalen is vermoeiend. Op kilometer 95 van de tocht passeer ik voor de tweede keer Meyrueis en begin aan de eerste 21 kilometer van de ronde van de Mont Aigoual. Voor het grootste gedeelte vals plat omlaag. Ik herinner me dat ik daar vanmorgen naar heb verlangd, het rustig peddelen naar ‘huis’. Helaas mag het niet zo zijn, oorzaak WIND. Of het nu de beruchte Mistral of de Transmontagne is, het zal me worst zijn. Balen dat ik nu nog behoorlijk door moet stampen om de wind te overwinnen. Kom ik op het einde dan toch nog stuk te zitten? Het begint er op te lijken als ik me wat flauw en zweverig begin te voelen. Toch nog maar stoppen om wat bij te komen en de laatste druppels vocht uit mijn bidon te wringen. Het is nu de moeite niet meer om hem bij te vullen, over twintig minuten rij ik de camping weer op en daar staat frisdrank genoeg. Bij het dorpje Le Rosier neem ik afscheid van de route van de Ronde van de Mont Aigoual.

Krabbé : kilometer 136. De laatste kilometer. Ik loer, hij loert, daar is het plaatsnaambord. MEYRUEIS. Twee mannen langs de kant kijken naar ons. ‘Bewonderenswaardig fris zien die kerels er nog uit. Ja, dat zijn de twee koplopers van de Ronde van de Mont Aigoual. Zijn als laatste overgebleven van drieënvijftig mannen na honderdvijftig kilometer, vijf cols, of misschien wel zes, hagel, mist, ellende. Ik wou dat ik hem was, de oudste van die twee.’

Nee, de finish verklap ik niet. Koop het boek maar, je krijgt er geen spijt van. Het verloop van mijn laatste kilometer mag je voor niets weten.

Na de laatste rustpauze gaat het in gezapig tempo tentwaarts. Geen fut of zin meer om me nog uit te sloven en het gemiddelde met 0.15 km/u te laten toenemen. Kilometer 124, de laatste kilometer. Ik voel me opgelucht., daar is het plaatsnaambord. RIVIERE SUR TARN. Nog achthonderd meter, in het dorp kijkt niemand naar me, ik ben slechts één van de vele fietsers. Erg fris zal ik er niet meer uitgezien hebben. Nog vierhonderd meter, ik fiets het dorp weer uit. Nog tweehonderd meter, ik zie het finishdoek met het opschrift ‘camping Les Peupliers ****’. Bij het passeren geen gejuich, alleen in mijn hoofd, geen horde mensen met fotocamera’s of microfoons. Alleen wat kinderen die gestoord worden in hun jeu de boules spel, wanneer ik met piepende remmen het campingterrein oprij. Toch wel trots op mijn prestatie klik ik even later mijn schoenen uit de pedalen en klik mijn kont in de klapstoel naast de tent. De vermoeidheid is even volledig verdwenen als Carla belangstellend mijn verhaal aanhoort. De dorst is snel gelest. De herinnering aan deze fantastische rit blijft in de vorm van wat foto’s en een T-shirt nog wel even bestaan.

De resultaten:

Afstand : 125.17 km

Tijd : 5:57:05

Gemiddelde : 21.03 km/u

Topsnelheid : 61 km/u

 
< Vorige   Volgende >
spacer.png, 0 kB
spacer.png, 0 kB
 
Joomla Template by Joomlashack
download joomla cms download joomla themes